zondag 21 februari 2010

ADHD en verslaving

Een belangrijke reden waarom heel wat mensen, en ook een groep
wetenschappers huiveren om psychostimulantia als behandeling te gebruiken is
de vrees voor mogelijke verslaving, zeker bij langdurig gebruik.
Anderzijds blijken nogal wat behandelaars die vaak deze middelen gebruiken
weinig op de hoogte te zijn van de precieze gegevens die de laatste jaren
daarover beschikbaar zijn gekomen, zodat ze eigenlijk weinig gemotiveerd en
genuanceerd verweer kunnen inbrengen tegen hun tegenstanders. Daarom volgt
hier een stand van zaken die voor velen verrassend interessante informatie
betekent, niet alleen voor leken maar ook voor zeer vele professionelen.
Verslavingen aan alcohol, nicotine, amfetamines (speed) en cocaïne komen bij
mensen met ADHD dubbel zo vaak voor dan in de algemene bevolking. Dit kan
gedeeltelijk genetisch verklaard worden. Zo is er een gen dat het eiwit
produceert voor de dopamine-2 receptor op de “postsynaptische” zenuwcellen in
het striatum in de hersenen (postsynaptisch betekent: de zenuwcel die na de
spleet (dit is de “synaps”) tussen twee neuronen de dopamine bindt die
vrijgekomen is uit de “presynaptische” zenuwcellen). Er bestaat een A1 en een
A2 type. In de algemene bevolking komt het A1 type slechts bij 20% voor, bij
ADHD is dat 50 % en bij cocaïneverslaafden is dat 87%. Het is gekend dat niet
iedereen die alcohol drinkt of sigaretten rookt verslaafd wordt; zo is ook bekend
dat slechts 25% van de cocaïnegebruikers eraan verslaafd worden. Genetische
factoren kunnen hierbij dus een rol spelen.
Anderzijds is de impulsiviteit van jongeren met ADHD en het zich niet goed in
hun vel voelen vaak een oorzaak om te experimenteren met drugs, wat ze als een
vorm van zelfmedicatie ervaren. Mensen met ADHD worden trouwens vaak
rustig en helder met amfetamines (speed), in tegenstelling tot mensen zonder
ADHD die erdoor opgepept worden.
synaps Schematische weergave van een synaps, met bovenaan het presynaptisch zenuwuiteinde (waar DA, d.w.z. dopamine) wordt vrijgezet dat op zijn
beurt onderaan op de figuur de postsynaptische D2-
receptoren stimuleert en anderzijds door de presynaptische
DAT-receptoren heropgenomen wordt in
de presynaptische zenuwcel.
Rilatine, amfetamine en cocaïne blokkeren de
presynaptische DAT-receptor zodat meer dopamine
beschikbaar blijft in de synaptische spleet om het
postsynaptische neuron te stimuleren.

Eén van de merkwaardige paradoxen is dat ADHD vaak met succes behandeld
wordt met Rilatine of amfetamine, zonder er verslaafd aan te worden, hoewel ze
dus eigenlijk meer risico lopen om verslaafd te worden. Er zijn zelfs studies die
aangetoond hebben dat kinderen met ADHD die een aantal jaren behandeld zijn
met Rilatine veel minder risico lopen om later ooit aan iets verslaafd te worden
dan kinderen met ADHD die niet behandeld werden met Rilatine.
De informatieflow in neuronencircuits gebeurt door elektrische potentialen die
zich over de zenuwuitlopers verspreiden om dan aan de zenuwuiteinden
omgezet te worden in een vrijzetting van neurotransmitters zoals dopamine.
Dopamine bindt zich dan aan een receptor op het postsynaptische zenuwuiteinde
van een volgende zenuwcel in het circuit. Daardoor gaan er zogenaamde
ionenkanalen in de postsynaptische membraan zich tijdelijk openen waardoor er
elektrisch positief geladen calciumionen de zenuwcel binnenvloeien. Dit leidt tot
een nieuwe elektrische actiepotentiaal die dan instaat voor de verdere
informatieflow postsynaptisch.
Het merkwaardige is dat Rilatine in zijn werking op de zenuwcellen voor een
stuk hetzelfde doet als wat cocaïne doet: het blokkeert de dopaminereceptor op
de presynaptische zenuwcellen. Deze presynaptische dopaminereceptor staat
normaal in voor een heropname van dopamine in de presynaptische zenuwcel,
zodat er minder dopamine beschikbaar blijft voor de postsynaptische zenuwcel.
Bij een grote groep mensen van ADHD werd aangetoond dat er teveel
presynaptische dopaminereceptoren zijn, waardoor er te weinig dopamine
beschikbaar is om de postsynaptische zenuwcellen te prikkelen. Met Rilatine
wordt dit genormaliseerd zodat de ADHD-verschijnselen verbeteren. Niet alleen
de aandacht wordt daardoor beter, maar ook het kunnen betekenis hechten aan
saaie zaken (zoals lessen leren), en een vermindering van impulsiviteit.
 foto
Beeldvormingsonderzoek (SPECT) van de hersenen van ADHD-persoon in dwarsdoorsnede. Er werd een stof in de bloedbaan gebracht die zich bindt aan de presynaptische dopaminereceptoren in het striatum. Links ziet men dat dit bij iemand met ADHD een sterk verhoogd signaal (in gele kleur weergegeven) geeft in het striatum van de twee hersenhelften. Rechts ziet men een minder uitgesproken aankleuring, wanneer men deze stof in de bloedbaan brengt enige tijd nadat Rilatine werd toegediend. Dit betekent dat Rilatine deze presynaptische dopaminereceptoren blokkeert en daardoor tot een hoeveelheid vermindert zoals die bij mensen zonder ADHD bestaat.

Wat is dan de verklaring dat iemand met ADHD – die in principe groter risico
loopt om verslaafd te worden – goed geholpen is met Rilatine of amfetamine en
er niet verslaafd aan geraakt ? En wat is de verklaring dat er met cocaïne dan
wél problemen zijn ? De antwoorden zijn velerlei.
1) Bij ADHD wordt de hoeveelheid beschikbare dopamine in de synaptische
spleet GENORMALISEERD (terwijl het bij mensen zonder ADHD die
hoeveelheid te hoog maakt).
2) Cocaïne wordt doorgaans gesnoven of ingespoten een geeft dus zeer snel een
dopamineverhoging (piekeffect na 5 minuten) wat met een “high” gevoel
gepaard gaat. Als men Rilatine snuift of inspuit krijgt men hetzelfde “high”
gevoel. Bij allebei duurt het “high” gevoel zowat 20 minuten. Als men
Rilatine als pil neemt ontstaat de piekconcentratie in de hersenen na 60
minuten, wat zonder “high” gevoel gepaard gaat.
3) De piekconcentratie van dopamine na het nemen van een pil Rilatine duurt
15 tot 20 minuten, bij cocaïne is dat 2-4 minuten. Bij Rilatine zakt de
hoeveelheid beschikbare dopamine in de hersenen tot de helft na 90 minuten,
bij cocaïne is dat het geval na 20 minuten. De snelle vermindering na cocaïne
zet aan om een volgende dosis te nemen, terwijl dit bij Rilatine niet het geval
is omdat de hoeveelheid dopamine langere tijd verzadigd blijft. Bovendien
zorgt Rilatine ervoor dat de dopaminevrijzetting op een “tonische” manier,
dit wil zeggen gelijkmatig gedurende de tijd, plaatsvindt, wat het natuurlijke
proces van vrijzetting van dopamine nabootst en dus inderdaad tot een
normalisering leidt. Als men met een infuus kunstmatig een aangehouden
cocaïntoediening geeft ontstaat ook een verzadiging van de
dopaminevrijzetting en volgt er geen nieuwe “high”.
4) In een therapeutische context wordt Rilatine volgens een strict schema
genomen, en is het niet gebonden aan specifieke omstandigheden van
plezierzoeken. Integendeel, het wordt daarbij vooral gebruikt om saaie taken
als meer betekenisvol te ervaren, op een manier zoals dat bij mensen zonder
ADHD het geval is. Cocaïne wordt gebruikt in omstandigheden van plezier
zoeken, wat op zichzelf al met meer natuurlijke dopaminevrijzetting gepaard
gaat.
5) Cocaïne werkt ook in op het serotoninesysteem, wat niet het geval is met
Rilatine of amfetamine.
6) “Speed” als drug wordt in onbekende dosissen genomen, maar men neemt in
het algemeen aan dat de gebruikelijke dosissen er 10 maal hoger liggen dan
bij therapeutisch gebruik bij ADHD. Bovendien wordt speed als drug ook
vaak niet als pil maar als injectie genomen.
7) Er zijn aanwijzingen dat Rilatine zelfs neuroprotectief (beschermend op de
postsynaptische zenuwcellen) zou werken tijdens een ontwenningskuur van
methamfetamine. Ook zijn er aanwijzingen dat het neuroprotectief zou
werken bij de aftakeling van dopaminerge zenuwellen bij de ziekte van
Parkinson. In die context is het ook vermeldenswaard dat nicotine neuroprotectief
werkt bij de ziekte van Parkinson en bij de ziekte van Alzheimer.
Maar de nadelen van chronisch nicotinegebruik wegen natuurlijk niet op
tegen deze mogelijke voordelen.
Verder blijft er nog het delicate probleem hoe men iemand met ADHD én
verslaving aan cocaïne best behandeld. Op dit gebied moet er nog veel
onderzoek gebeuren, maar er zijn toch al enkele publicaties die aantonen dat het
in een aantal gevallen mogelijk blijkt de cocaïne te vervangen door Rilatine.
LANGETERMIJN EFFECTEN VAN RILATINE EN AMFETAMINE
Terecht wijst men er vaak op dat er geen wetenschappelijke studies zijn over de
effecten op lange termijn bij het therapeutisch gebruik van deze middelen bij
ADHD. Toch weet men dat zowat de helft van de kinderen met ADHD hun
ADHD ontgroeien en dat er dan geen medicatie meer nodig is. Klassiek
veronderstelt men dat de onderliggende ADHD dan uitgerijpt is zodat er geen
symptomatisch effect van Rilatine of amfetamine meer nodig is. Maar recent
begint men ook de mogelijkheid te overwegen dat deze geneesmiddelen op
lange termijn positieve blijvende VERANDERINGEN in de hersenen teweegbrengen,
door zogenaamde NEUROPLASTICITEIT, wat de laatste jaren een
hot topic is in de neurowetenschappen.
1) NEUROPLASTICITEIT DIE LEIDT TOT NORMALISERING
Chronisch gebruik van deze middelen zorgt er niet alleen voor dat er een
betere signaaloverdracht in het betreffende zenuwencircuit ontstaat, maar
zorgt ook voor genactivering in de postsynaptische zenuwcellen, waardoor
eiwitten worden aangemaakt die de bouwstenen zijn van nieuwe
dopaminereceptoren postsynaptisch. Mogelijk zouden deze eiwitten ook
kunnen zorgen voor een afnale van de presynaptische dopaminereceptoren.
Dit zou dan daadwerkelijk een NORMALISERING betekenen, waarbij men
van GENEZING zou kunnen spreken. Daarom wordt nu ook aanbevolen om
om de 2-3 jaar een poging te ondernemen om de medicatie tijdelijk te
stoppen om te zien of verdere behandeling nog nodig is.
2) NEUROPLASTICITEIT DIE LEIDT TOT DEPRESSIE
Onderzoek waarbij men jonge ratten met intraveneus Rilatine behandelde
bleken op volwassen leeftijd kenmerken van depressie te vertonen, waarbij ze
bij omgevingsprikkels die normaal als aangenaam worden ervaren (zoals
suikerwater) geen voldoening meer lijken te vinden en waarbij ze in stresse-
rende situaties wanhoopgedrag vertonen. Dit heeft tot de opvatting geleid dat
neuroplasticiteit hier tot ongunstige toestanden zou leiden zoals
DEPRESSIE . Als men dit zou extrapoleren naar de mens zou het betekenen
dat mensen na jaren gebruik van Rilatine een depressie zouden kunnen
ontwikkelen. Dit werd nog niet door onderzoek aangetoond. Bovendien zijn
er twee belangrijke kanttekeningen te maken. Ten eerste, bij de ratten ging
het om intraveneus toegediende Rilatine, wat heel wat anders is dan Rilatine
als pil. Ten tweede, het onderzoek werd gedaan bij gezonde ratten. Men kan
zich voorstellen dat bij mensen zonder ADHD in theorie deze hypothese dat
op termijn depressie ontstaat zou kunnen opgaan, maar dat bij ADHD
integendeel een normalisering optreedt door de neuroplasticiteit: bij gezonde
mensen zou in deze hypothese chronisch gebruik van Rilatine een
neuroplasticiteit optreden die aan “overshooting” doet. Als dat zou kloppen
zou dit wijzen op het grote belang om eerst een duidelijke ADHD diagnose
te stellen alvorens een langdurige behandeling met Rilatine of
amfetamine te starten. Het is niet geoorloofd om de beslissing om deze
medicatie chronisch te laten nemen te laten afhangen van de symptomatische
effecten van enkele dosissen. Deze medicatie zal op korte termijn immers ook
bij mensen zonder ADHD positieve effecten hebben. Het kan niet genoeg be-
nadrukt worden dat men het uittesten van enkele dosissen Rilatine niet mag
gebruiken om een ADHD diagnose te stellen !
3) NEUROPLASTICITEIT DIE LEIDT TOT VERSLAVING
Enkel bij niet-therapeutisch gebruik van deze middelen, dus in hoge
dosissen, vaak intraveneus, en in omstandigheden waarbij plezier zoeken
betracht wordt, kan verslaving ontstaan, vaak dan nog als er tevens een
genetische voorbeschiktheid bestaat. Hier zou er een chronische extraoverbeschikbaarheid
van dopamine tot nog meer genactivering postsynaptisch
aanzetten met nog meer eiwitsynthese en overaanmaak van
postsynaptische receptoren. Onderzoek wijst uit dat dit niet alleen in het
striatum (o.a. nucleus accumbens) plaatsvindt maar ook in de prefrontale
hersenschors (orbitofrontale hersenschors, boven de orbita, d.w.z. de oogkas,
gelegen) die ermee in verbinding staat. Men heeft aangetoond dat bij
verslaving aan cocaïne een overactiviteit in dit gebied aanwezig is tijdens de
inname van cocaïne of tijdens de acute ontwenning. Hetzelfde ziet men als
een cocaïneverslaafde Rilatine inspuit (zie figuur).
 coc
Beeldvormingsonderzoek (PET) van de hersenen (dwarsdoorsnede) bij een cocaïneverslaafde.
Links na toediening van placebo: te weinig activiteit in de orbitofrontale hersenschors.
Rechts na intraveneuze toediening van Rilatine (methylfenidaat) waarbij er een overactivering in deze gebieden ontstaat.

Na maanden ontwenning is er daarentegen een te lage activiteit in dit gebied
alsook in de nucleus accumbens. Dit leidt ertoe dat de prefrontale hersen-
schors geen gedrag meer op gang brengt in reactie op natuurlijke beloningen,
die bij verslaving ook niet meer als beloning ervaren worden. Ook leidt het
ertoe dat de prefrontale hersenschors overreageert op prikkels die drugbe-
schikbaarheid signaleren wat leidt tot overactiviteit in de nucleus accumbens.
4) Zeldzaam probleem van GEWENNING bij chronisch therapeutisch gebruik
van Rilatine of amfetamine bij ADHD.
In zowat 2-5 % wordt door dergelijke patiënten gemeld na enkele maanden
(of soms meer dan een jaar) dat Rilatine geen positief effect meer heeft. Dit
is waarschijnlijk ook door een vorm van neuroplasticiteit uit te leggen waar
een ander evenwicht bereikt wordt dan de hierboven beschreven evoluties. In
deze gevallen wordt het aangeraden over te schakelen op bvb. amfetamine of
een noradrenerg antidepressivum (desipramine, imipramine), Efexor of
Strattera (die ook noradrenerg werken). In deze gevallen kan het nodig zijn
om enkele keren per jaar via een rotatieschema telkens op een ander middel
uit deze reeks over te schakelen.
 
door Werner Van den bergh, neuropsychiater te Leuven

vereniging Aandacht

De vereniging Aandacht organiseert maandelijkse bijeenkomsten (praatgroepen) voor mensen met ADD/ADHD en hun partners, meer info per regio en data vind je in het hoofdmenu . Het contact met 'lotgenoten' brengt heel dikwijls een gevoel van 'thuiskomen' met zich mee. 

'AANDACHT'


De organisatie

Geruime tijd zijn er op een aantal plaatsen in Vlaanderen praatgroepen voor volwassenen en jongvolwassenen met ADHD actief. "Aandacht" bracht in 2001 deze initiatieven samen om coördinerend op te treden en de oprichting van nieuwe groepen te stimuleren.
Medewerkers van "Aandacht" zijn ervaringsdeskundig door hun eigen betrokkenheid bij ADHD én door de kennis en ervaring die ze opdeden met Vlaamse ADHD-experten. (www.aandacht-volwassenen.be)


Visie

Op volwassen leeftijd wordt deze stoornis nog al te vaak miskend, zowel door de betrokkenen en hun familieleden als door professionele hulpverleners.Dit brengt vaak mee dat dergelijke volwassenen niet de hulp en het begrip krijgen die ze eigenlijk verdienen, wat boven op hun moeilijkheden nog een extra belasting meebrengt.
Het vaststellen van de diagnose en het starten van een aangepaste behandeling zijn nochtans mogelijk. Meestal echter loopt dit nog mis. Nochtans is het vaststellen van de diagnose op zich al een eerste belangrijke stap omdat zodanig door de betrokkene en zijn omgeving al beter begrepen wordt waarom hij eigenlijk zoveel moeilijkheden heeft men blijft niet langer meer op onbegrip stuiten en vaak wordt het ook mogelijk om overbodige psychiatrische behandelingen op een vals spoor zitten te staken.

Omdat er nog weinig (h)erkenning bestaat, en omdat het uitwisselen van ervaringen tussen lotgenoten vaak een belangrijke steun betekent, hebbeneen aantal mensen mét ADHD het initiatief voor het oprichten van een zelfhulpgroep genomen. Het behoort ook tot de doelstellingen om alle wetenschappelijke informatie over liet onderwerp samen te brengen en beschikbaar te houden voor belangstellenden. Ook hopen we te kunnen rekenen op professionele adviezen en informatieverstrekking van gespecialiseerde hulpverleners.
De bedoeling is ook om via dit middel erkenning vanwege de maatschappij en vanwege de professionele hulpverleningswereld te bekomen, door het bundelen van de ervaringen en de inzet van lotgenoten hopen we om een meer gestroomlijnd en georganiseerd platform te helpen verwezenlijken voor al deze volwassenen die vaak tussen de mazen van het klassieke hulpverleningsnet vallen.

Doel
Volwassenen en jongvolwassenen met ADHD helpen om greep te krijgen op de specifieke adhd-problemen waarmee ze te kampen hebben op hun werk, in hun relatie, de sociale omgang, …door het bieden van ondersteuning, erkenning en informatie.
Het benutten en herwaarderen van de positieve kanten eigen aan ADHD in plaats van deze te onderdrukken

Activiteiten
Het organiseren van lotgenotenavonden, informatiesessies en ontspanning voor volwassenen en jongvolwassenen met ADHD en hun partners, familie, vrienden en belangstellenden.
Het publiceren van elke evolutie in het wetenschappelijk onderzoek.
Sensibiliserings- en bekendmakingsactiviteiten
Praktisch verloop van een gespreksavond:


  • Elke volwassene met ADHD is vrijblijvend welkom om deel te nemen aan de maandelijkse vergadering.
  • Een voorafgaand telefonisch contact met één van de contactpersonen wordt wel gewenst.
  • Drempelvrees hoeft er niet te zijn aangezien de gespreksavond heel gemoedelijk verloopt en alle deelnemers zich al vlug op hun gemak voelen: ze herkennen al vlug veel van zichzelf bij lotgenoten, en voelen zich dan ook vlug op dezelfde golflengte. Iedere deelnemer is vrij om al dan niet een stuk van zijn eigen verhaal te brengen.
  • Ook partners zijn welkom, omdat de ontmoetingen met lotgenoten ook voor hen verhelderend en ondersteunend kunnen zijn.
  • Men is vrij om eenmalig, nu en dan of regelmatig deel te nemen aan de vergaderingen.
  • Er wordt een kleine bijdrage van 2.50 € per persoon of per koppel gevraagd.
  • Hoewel de vergaderingen niet overgestructureerd verlopen (zoals men kan begrijpen bij ADHDers), verloopt een avond toch volgens een vooraf bepaalde agenda: na de voorstelling van eventuele nieuwe deelnemers wordt aan de hand van een thema van gedachten gewisseld over eigen ervaringen. Hierna volgt een pauze, waarna een gespreksronde volgt waar ruimte is voor varia of voor persoonlijke opmerkingen, ervaringen of suggesties.

Hoe is ADHD te behandelen?

De behandeling van ADHD bestaat meestal uit een combinatie van medicatie en gedragstherapie. Jammer genoeg genezen medicijnen ADHD niet, maar het kan de klachten wel verminderen. Als de medicijnen niet worden ingenomen, keren de ADHD-verschijnselen snel weer terug.
Het meest gebruikt worden zogenaamde psychostimulantia (met name methylfenidaat- en dexamfetamine - houdende middelen). Mensen met AD(H)D worden er rustiger van en kunnen zich beter concentreren. Als de psychostimulantia niet helpen of als er vervelende bijwerkingen zijn, worden andere middelen gebruikt, zoals clonidine of atomexetine.
Vroeger waren er alleen tabletten die je heel regelmatig moest innemen (om de vier uur). Deze tabletten zijn verkrijgbaar in verschillende vormen: Medikinet®, Ritalin® of een ander kortwerkend generiek methylfenidaat. Het meerdere malen per dag innemen van medicatie is voor veel mensen met ADHD lastig, vooral als je de ene dag een andere dagindeling hebt, dan de andere dag. Om dit probleem op te lossen is er tegenwoordig ook ADHD-medicatie in een langwerkende vorm verkrijgbaar. Dit zijn Medikinet® CR, Equasym® en Concerta®.
Er zijn momenteel verschillende combinaties van kort- en langwerkende vormen van ADHD-medicijnen in verschillende doseringen beschikbaar. Zij verschillen onderling in de snelheid waarmee de werking op gang komt en de mate en duur (4, 8 of 12 uur) waarin de werking aanhoudt. Voor een zo goed mogelijk resultaat, kan de keuze van het medicijn en de dosering hiervan worden afgestemd op je eigen 'ADHD-profiel'.
Wat is hierbij belangrijk:
  • Welke uren van de dag treden de klachten op;
  • Welke uren van de dag wil je géén klachten hebben;
  • Hoe snel werkt het medicijn na inname;
  • Zijn er eventuele bijwerkingen;
  • Krijg je het medicijn (deels) vergoed (verzekerde situatie).
Belangrijke vragen hierbij kunnen zijn:
  • Hoe snel na inname is er een goede werking (bijv. tijdens de eerste schooluren)?
  • Is er een goede onderdrukking van de ADHD-symptomen tijdens de hele school- /werkdag en tijdens eventuele nevenactiviteiten?
  • Geeft het medicijn een middagdip of niet?
  • Is het gemakkelijk om de medicijnen individueel te doseren als je dat wilt?
  • Zijn er slaapmedicijnen nodig om de (na)werking van de ADHD-medicijnen op te heffen?
Gebruik van psychostimulantia is veilig, zeer waarschijnlijk ook bij langdurig gebruik. Eén op de drie patiënten heeft last van milde bijwerkingen, waaronder minder eetlust (10-40%), problemen met inslapen (10-20%), misselijkheid en maagpijn (20%) en hoofdpijn (15%). Psychostimulantia zijn nauwelijks verslavend.

Wat is ADHD

ADHD is de afkorting van de Engelse term Attention Deficit Hyperactivity Disorder. Vrij vertaald: een aandoening met een tekort aan aandacht en concentratie, met hyperactiviteit. De verschijnselen van ADHD zijn niet bij iedereen gelijk. Bij mensen met ADHD komen combinaties van de volgende kenmerken in meer of mindere mate voor:

Aandachts- en concentratieproblemen
Vergeetachtigheid, moeite met details, vaak spullen kwijtraken, snel afgeleid zijn door andere dingen, van alles tegelijk doen, moeilijk blijvend de aandacht kunnen richten, moeilijk instructies kunnen volgen, niet luisteren naar wat anderen zeggen.

Impulsiviteit
Meteen dingen doen, niet eerst nadenken, dingen 'eruit flappen', moeilijk op je beurt kunnen wachten, voor je beurt spreken, vreetbuien, snel relaties aangaan en weer verbreken, onnodig of onverantwoord geld uitgeven, voordringen zonder dat men daar erg in heeft, je vaak in gevaarlijke situaties storten.

Hyperactiviteit
Altijd een gevoel van onrust in het lijf, niet stil kunnen zitten, niet rustig kunnen spelen, steeds moeten opstaan en rondwandelen, steeds friemelen met de handen of met een voorwerp, tikken met de voeten, draaien en wiebelen, overdreven veel praten. Ellenlange verhalen afsteken die niet goed te volgen zijn. Gespannen zijn en blijven, moeilijk tot rust komen, vaak beweeglijk zijn in de slaap.
Je groeit jammer genoeg niet altijd over ADHD heen, zoals lang is gedacht. Van de mensen die behandeld zijn, houdt éénderde toch ADHD. Evenveel mensen houden nog ADHD verschijnselen, maar deze zijn dan minder dan voorheen. Bij éénderde verdwijnen de verschijnselen na verloop van tijd helemaal.